ECLI:NL:CRVB:2015:2496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens niet opgegeven periodieke giften van moeder
Appellant ontving vanaf januari 2011 bijstand op grond van de WWB. Na een onderzoek naar mogelijke fraude, waarbij bankafschriften werden bekeken, stelde het college vast dat appellant maandelijks bedragen van zijn moeder ontving die niet waren opgegeven als inkomen.
Het college herzag daarop de bijstand met terugwerkende kracht en verlaagde de uitkering over oktober 2011 vanwege schending van de inlichtingenplicht. Appellant stelde dat deze bedragen giften waren bedoeld voor het aflossen van een boete en zakelijke verplichtingen en dat herziening met terugwerkende kracht in strijd was met rechtszekerheid en vertrouwen.
De Raad oordeelde dat periodieke en vrij besteedbare betalingen van de moeder als inkomen moeten worden beschouwd volgens de WWB. Het college was bevoegd de bijstand over de gehele periode te herzien. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijschrijvingen van de moeder als inkomen gelden en de bijstand terecht is herzien.