ECLI:NL:CRVB:2015:3002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond
Een werkneemster was wegens psychische en fysieke klachten langdurig ziek en verrichtte geen arbeid. De werkgever vroeg een deskundigenoordeel aan over de re-integratie-inspanningen, waarbij het UWV aanvankelijk oordeelde dat deze voldoende waren, met een expliciet voorbehoud over de medische beperkingen vastgesteld door de bedrijfsarts.
Het UWV verlengde daarop de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, wat door de werkgever werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de bedrijfsarts onjuiste beperkingen had vastgesteld die de re-integratie blokkeerden en dat de werkgever verantwoordelijk was voor de re-integratie.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de medische beperkingen door de bedrijfsarts onvoldoende waren onderbouwd en dat het UWV terecht concludeerde dat er benutbare arbeidsmogelijkheden waren die niet werden benut. Het deskundigenoordeel bevatte een expliciet voorbehoud waardoor de werkgever niet mocht uitgaan van volledige juistheid van de beperkingen. De loonsanctie werd daarom gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.