ECLI:NL:CRVB:2015:3274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van sollicitatieverplichtingen en maatregeloplegging in WW-uitkering
De werknemer was tot 1 augustus 2011 in dienst bij de werkgever en ontving vanaf die datum een WW-uitkering met de verplichting om gemiddeld één keer per week te solliciteren. De werkgever stelde dat de werknemer in bepaalde maanden onvoldoende solliciteerde en deed op 21 februari 2013 een melding van verwijtbaar gedrag bij het UWV.
Het UWV beperkte het onderzoek tot de drie maanden voorafgaand aan de melding en concludeerde dat er geen reden was om een maatregel op te leggen. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De werkgever ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat het UWV bevoegd is de controle steekproefsgewijs uit te voeren en een beoordelingsperiode van maximaal drie maanden te hanteren, mede vanwege de re-integratietaak van de werkgever. De door de werknemer verstrekte informatie toonde voldoende sollicitatieactiviteiten in de relevante periode. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de werkgever in hoger beroep. De uitspraak bevestigt de beleidsmatige ruimte van het UWV bij de controle op sollicitatieverplichtingen en de beperkte toetsingstermijn bij meldingen van overheidswerkgevers.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en het UWV hoeft geen maatregel op te leggen of schade te vergoeden.