Betrokkene, laatst werkzaam als schoonmaker, liep op 3 augustus 2008 ernstig hersenletsel op door een aanrijding. Hij ontving een Ziektewetuitkering die op 16 juli 2009 werd beëindigd op basis van een bedrijfsartsrapport dat hem arbeidsgeschikt achtte. Betrokkene maakte geen bezwaar tegen dit besluit, waardoor het in rechte vaststond.
Na een nieuwe ziekmelding in november 2009 werd een Ziektewetuitkering toegekend die later werd omgezet in een IVA-uitkering. Betrokkene verzocht in 2011 om herziening van het besluit van 16 juli 2009, maar dit werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit echter in een eerdere procedure, stellende dat er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden, met name een rapport van prof. Ribbers uit 2013 dat ernstige en blijvende beperkingen door hersenletsel aantoonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Hoewel het rapport van prof. Ribbers is opgesteld voor een andere procedure en niet specifiek voor de datum van 16 juli 2009, bevat het nieuwe medische inzichten die niet verenigbaar zijn met het eerdere bedrijfsartsrapport. De Raad oordeelt dat appellant had moeten terugkomen op het eerdere besluit en dat betrokkene niet arbeidsgeschikt was op de peildatum. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten en heft griffierecht.