ECLI:NL:CRVB:2015:3937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving sinds 2005 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een huisbezoek in 2011 werd vastgesteld dat betrokkene mogelijk een gezamenlijke huishouding voerde met B, met wie hij een kind zou hebben. Op basis hiervan werd de uitkering ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat betrokkene en B hun hoofdverblijf deelden en dat betrokkene de biologische vader van het kind S was. De verklaring van betrokkene tijdens het huisbezoek en de handgeschreven tekst op het onderzoekformulier waren onvoldoende betrouwbaar, mede doordat betrokkene de Nederlandse taal niet machtig was en er onduidelijkheid bestond over de inhoud van zijn verklaring.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van het gezamenlijk kind is niet van toepassing omdat appellant niet heeft aangetoond dat betrokkene de biologische vader is. Ook is geen feitelijke grondslag voor wederzijdse zorg vastgesteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en vaderschap.