ECLI:NL:CRVB:2013:BY8472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand op grond van WWB
Betrokkene 1 ontving vanaf 1999 bijstand als alleenstaande ouder. Na een anonieme melding dat zij samenwoonde met betrokkene 2, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkenen gegrond, omdat het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat betrokkene 2 de biologische vader van de kinderen is niet van toepassing was en er onvoldoende bewijs was van wederzijdse zorg. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de bewijslast voor het vaderschap niet was voldaan, maar dat op basis van sociale recherche, getuigenverklaringen en observaties wel aannemelijk is dat betrokkenen hun hoofdverblijf deelden en wederzijdse zorg verleenden.
De Raad concludeerde dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan. De beroepen van betrokkenen werden ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand werd bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zijn terecht en de beroepen worden ongegrond verklaard.