ECLI:NL:CRVB:2010:BO4627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand en het College van burgemeester en wethouders van Utrecht trok deze uitkering in en vorderde terugbetaling op grond van de stelling dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 1998. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond voor de periode 1998-2000, maar handhaafde het besluit voor de periode 2000-2006.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het College onvoldoende had bewezen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 5 juni 2000 tot en met 31 januari 2006. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat bij een gezamenlijk kind sprake is van gezamenlijke huishouding was niet van toepassing omdat appellant het kind niet had erkend.
De Raad oordeelde dat het College niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van wederzijdse zorg, zoals vereist volgens de wet. De intrekking van de bijstand en de terugvordering waren daarom niet deugdelijk gemotiveerd en werden vernietigd. Tevens werden de proceskosten aan appellanten toegewezen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.