Appellante, geboren in 1975, heeft een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege psychische en lichamelijke klachten die sinds haar jeugd bestaan. Na eerdere afwijzing door het UWV en een negatieve uitspraak van de rechtbank Den Haag, stelde zij hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde dat de aanvraag moest worden getoetst aan de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) vanwege haar geboortejaar. Uit medische en arbeidskundige rapporten bleek dat haar situatie op haar 17e en 18e levensjaar niet wezenlijk verschilden van latere jaren, en dat zij in staat was te werken en meer dan 75% van het minimumloon te verdienen.
Appellante voerde aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en onvoldoende rekening had gehouden met haar toestand, maar de Raad verwierp deze stellingen. De Raad oordeelde dat de beoordeling conform de wet was en dat de late aanvraag het bewijsrisico voor appellante vergrootte.
Hoewel de arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep kenbaar werd, was er geen sprake van schade voor appellante. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.