Uitspraak
.van der Boor-Sretenovic verschenen als tolk.
Centrale Raad van Beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (appellant) had betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) verleend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor huishoudelijke hulp van 29 juli 2009 tot 28 juli 2014. Bij besluit van 2 oktober 2010 werd aan betrokkene meegedeeld dat zij vanaf 2 januari 2012 geen recht meer had op een pgb. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop appellant haar bezwaar deels gegrond verklaarde en het pgb verlengde tot 1 oktober 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van 2 oktober 2010 voor zover het het primaire besluit niet herroept. De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was van oneigenlijk gebruik of misbruik van het pgb op grond van de Wmo en dat appellant geen onderzoek had ingesteld naar misbruik.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er overwegende bezwaren waren tegen het pgb vanwege vastgesteld misbruik van een pgb op grond van de AWBZ en het niet voldoen aan de inlichtingenplicht door betrokkene. Appellant wilde duidelijkheid over de mogelijkheid tot intrekking van een pgb bij misbruik.
De Raad overwoog dat appellant onvoldoende procesbelang had omdat het pgb al was verleend tot 1 oktober 2012 en appellant geen terugvordering nastreefde. Een louter principieel belang is onvoldoende voor ontvankelijkheid. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en appellant veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van voldoende procesbelang.