ECLI:NL:CRVB:2015:410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing en intrekking bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres in Rotterdam. Na een aanvraag in januari 2012 voerde de gemeente onderzoek uit, waaronder een huisbezoek en analyse van water- en energieverbruik, waaruit bleek dat appellant vermoedelijk niet feitelijk woonachtig was op het uitkeringsadres.
Het college van burgemeester en wethouders besloot de bijstand over de periode februari 2010 tot augustus 2011 in te trekken en de aanvraag van januari 2012 af te wijzen. Appellant stelde dat hij wel op het adres woonde en dat het lage verbruik verklaard kon worden door een zuinige levensstijl, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook de verklaringen van buurtbewoners boden onvoldoende concrete feiten.
Tijdens het huisbezoek werd een verwaarloosde woning aangetroffen met onder meer koude ruimtes, geen wasgoed en uitgeschakelde gaskraan, hetgeen niet strookte met de stelling van appellant dat hij daar dagelijks verbleef. Het college en de Raad concludeerden dat appellant niet feitelijk woonachtig was op het uitkeringsadres.
Een latere aanvraag in april 2012 werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een relevante wijziging in omstandigheden. Het hoger beroep van appellant slaagde niet, waarna de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigde en de bezwaren ongegrond verklaarde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing en intrekking van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs van feitelijke bewoning op het uitkeringsadres.