ECLI:NL:CRVB:2015:4120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs simulatie en schending inlichtingenverplichting
Appellante, werkzaam als koekjesinpakster, ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Diverse herbeoordelingen bevestigden aanvankelijk een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. In 2007 werd zij onderzocht door een UWV-arts die PTSS vaststelde met duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. Latere onderzoeken en een psychiatrische expertise in 2011 concludeerden dat er geen sprake was van psychiatrische problematiek, wat leidde tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering van onverschuldigde betalingen.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door zich op een bepaalde wijze te presenteren, waardoor de uitkering terecht was ingetrokken. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij geen simulatie had gepleegd en dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het rapport van de psychiatrische expertise onvoldoende onderbouwing bood voor de conclusie dat geen psychiatrische problematiek bestond. Ook de huisartsgegevens toonden aan dat appellante al sinds 1997 psychische klachten had. Het UWV had niet aannemelijk gemaakt dat appellante onjuiste informatie had verstrekt.
De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraken en besluiten, herroept de intrekking en terugvordering van de uitkering en de boete, en veroordeelde het UWV in de kosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht en de boete worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van simulatie en schending van de inlichtingenverplichting.