ECLI:NL:CRVB:2015:4141

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2015
Publicatiedatum
24 november 2015
Zaaknummer
14-1056 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 17 BeroepswetStb 2012, 682
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid

Verzoeker heeft bij brief van 16 januari 2014 verzocht om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 2013, waarin een eerder herzieningsverzoek was afgewezen. De Raad oordeelt dat herziening alleen kan worden gevraagd van een oorspronkelijke uitspraak en niet van een herzieningsuitspraak. Daarom wordt het verzoek opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 22 april 2010.

De Raad past het overgangsrecht toe en stelt vast dat artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Dit artikel stelt strikte voorwaarden aan herziening, waaronder dat het verzoek moet worden gebaseerd op feiten die voor de oorspronkelijke uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Daarnaast geldt dat een verzoek om herziening niet onredelijk laat mag worden ingediend.

De Raad constateert dat het verzoek gebaseerd is op feiten die verzoeker al meer dan een jaar voor het herzieningsverzoek kende en dat de oorspronkelijke uitspraak eveneens meer dan een jaar voor het verzoek dateert. Hierdoor is het verzoek onredelijk laat ingediend en moet het niet-ontvankelijk worden verklaard. De Raad gaat daarom niet inhoudelijk in op het verzoek en wijst het af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke laattijdigheid.

Uitspraak

14/1056 AW, 14/1057 AW, 14/1058 AW
Datum uitspraak: 19 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2151
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland (college)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 16 januari 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2151.
Namens het college heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft zijn verzoek op 22 september 2015 nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 12/4528 AW en 12/5520 AW, plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof en A.J.J. Steegeman. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en heden wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Namens verzoeker is op 19 mei 2011 een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van de Raad van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3643 (oorspronkelijke uitspraak). De Raad heeft dit verzoek afgewezen bij uitspraak van 21 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2151 (herzieningsuitspraak).
2.1.
Op 16 januari 2014 heeft verzoeker een verzoek ingediend om herziening van de herzieningsuitspraak.
2.2.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 11 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7934) kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het voorliggend verzoek om herziening moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak.
3.1.
Het verzoek om herziening heeft dus betrekking op een uitspraak van vóór de op
1 januari 2013 in werking getreden Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb 2012, 682) waarbij wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet zijn aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft dan, in verbinding met artikel 17 van Pro de Beroepswet, artikel 8:88 van Pro de Awb (in plaats van het huidige artikel 8:119 van Pro de Awb) van toepassing op het verzoek om herziening.
3.2.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 juni 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1702) mag van degene die herziening vraagt van een uitspraak worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
Een verzoek om herziening als het voorliggende wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, dan wel nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden.
4.3.
Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek gebaseerd op de brief van S van 13 mei 2011 en de brief met bijlagen van Van L van 26 februari 2011. Deze aan verzoeker gerichte brieven zijn hem meer dan een jaar voor de datum van indiening van zijn herzieningsverzoek bekend geworden. Nu de oorspronkelijke uitspraak ook dateert van meer dan een jaar voor de datum van het herzieningsverzoek, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
5.1.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om herziening.
5.2.
De Raad herhaalt hier dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en ook niet om een discussie over de juistheid van de oorspronkelijke uitspraak te heropenen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.A.A. Kooijman en
M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2015.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD