Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontvangt bijstand sinds augustus 2012 en volgde een traject met opleiding en stage bij De Traverse. Na herhaaldelijk niet verschijnen op de stage en het niet nakomen van afspraken, werd betrokkene op 19 juli 2013 door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een maatregel opgelegd waarbij de bijstand met 100% werd verlaagd voor de duur van één maand.
Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 onvoldoende criteria bevatte om de hoogte en duur van de maatregel vast te stellen, waardoor het artikel geen verbindende kracht heeft.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de gemeenteraad op grond van artikel 8 WWB Pro exclusief bevoegd is regels te stellen over verlaging van bijstand, maar dat deze regels duidelijke criteria moeten bevatten. De Raad concludeerde dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 deze criteria niet bevat en dat de toelichting deze tekortkoming niet kan opvangen. Daarom mist artikel 6 in Pro zijn geheel verbindende kracht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene. Hiermee is het besluit tot verlaging van de bijstand vernietigd en kan het college geen maatregel opleggen op basis van het artikel 6 van Pro de Verordening 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende criteria in artikel 6 Verordening 2013.