ECLI:NL:CRVB:2015:2236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke grondslag en maatregel verlaging bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
De zaak betreft een hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Almere tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die een besluit tot verlaging van bijstand wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid vernietigde.
Appellant had aan betrokkenen bijstand verleend met ingang van 11 december 2012, maar deze bijstand verlaagd met 100% voor de duur van een maand als maatregel vanwege een groot aantal bekeuringen en het verlies van gangbare arbeid. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot verlaging geen deugdelijke grondslag had omdat de Verordening geen concrete criteria bevatte voor de hoogte en duur van de maatregel.
In hoger beroep stelt appellant dat artikel 13 van Pro de Verordening voldoende wettelijke grondslag biedt en dat het begrip benadelingsbedrag duidelijkheid verschaft over de maatregel. De Raad oordeelt echter dat dit begrip niet in de WWB voorkomt en niet bepaalbaar is, omdat de duur van de bijstand niet vooraf vaststaat. Tevens ontbreekt in de Verordening een regeling over de afstemming van hoogte en duur.
De Raad bevestigt dat de gemeenteraad met artikel 13 geen Pro juiste uitvoering heeft gegeven aan zijn verordenende bevoegdheid en dat de maatregel daardoor geen geldige grondslag heeft. Het besluit tot verlaging wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen. De Raad veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt vernietigd wegens gebrek aan wettelijke grondslag.