ECLI:NL:CRVB:2015:4323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling laattijdige Wajong-uitkeringsaanvraag wegens aangeboren oogafwijking
Appellante, geboren in 1978, diende in 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens een aangeboren oogafwijking. Het UWV stelde vast dat de beperkingen als gevolg van visusklachten pas ruim na haar 17e levensjaar ontstonden en wees de aanvraag af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij al sinds haar jeugd beperkingen ondervond door retinitis pigmentosa en dat het UWV ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek had verricht. De Raad oordeelde dat de beoordeling volgens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) plaatsvindt en dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten dat appellante vóór haar 17e levensjaar beperkingen had.
De Raad stelde vast dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt en appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die de conclusies van het UWV konden weerleggen. Omdat er geen beperkingen waren op haar 17e/18e levensjaar, was er geen aanleiding voor arbeidskundig onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, met een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.