ECLI:NL:CRVB:2015:443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en vaststelling aflossingscapaciteit bij fluctuerende inkomsten in WW-terugvordering
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar van betrokkene tegen een aflossingsbedrag op een terugvordering van WW-uitkering gegrond verklaarde.
Appellant had de WW-uitkering ingetrokken en de onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd. Bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit hield appellant rekening met het inkomen van betrokkene in de maand augustus 2012, ondanks dat de inkomsten fluctueerden. Betrokkene stelde dat het aflossingsbedrag onjuist was vastgesteld en dat rekening had moeten worden gehouden met hogere inkomsten in latere maanden.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was vanwege het niet meenemen van de fluctuaties in het inkomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de aflossingscapaciteit niet dwingend op basis van één maandinkomen mag worden vastgesteld. De Raad stelt het aflossingsbedrag vast op het door betrokkene voorgestelde bedrag van €60 per maand en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het aflossingsbedrag op €60 per maand wordt vastgesteld en vernietigt het deel van de uitspraak dat appellant opdraagt een nieuwe beslissing te nemen.