De zaak betreft een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding die toegekend moet worden aan betrokkene in een bezwaarprocedure tegen een besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had de proceskostenvergoeding vastgesteld op basis van de tarieven die golden ten tijde van ontvangst van het bezwaarschrift in 2014. De rechtbank Rotterdam oordeelde echter dat het nieuwe tarief van 2015 van toepassing was en stelde de vergoeding hoger vast, waarbij appellant werd veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel IV, vierde lid, van de Regeling het tijdstip van ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift maatgevend is voor de hoogte van de vergoeding in bezwaarprocedures. De Raad stelt dat de rechtbank ten onrechte het nieuwe tarief toepaste en dat appellant terecht het oude tarief hanteerde. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Er wordt geen aanleiding gezien tot veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 31 januari 2018 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.