Appellante ontving een WIA-uitkering vanaf november 2007 wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in 2011 met terugwerkende kracht in, omdat zij volgens verzekeringsartsen haar arbeidsongeschiktheid had gesimuleerd en onjuiste informatie had verstrekt. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde de besluiten, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het UWV stelde zich op het standpunt dat appellante bewust een onjuist beeld van haar gezondheidssituatie had gegeven. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de medische onderzoeken onvoldoende onderbouwing bieden voor de conclusie van simulatie en dat het UWV de herbeoordeling niet tijdig heeft uitgevoerd.
De Raad volgt het UWV niet in haar standpunt dat de huisarts niet op de hoogte was van de psychische klachten en dat appellante haar kinderen kon verzorgen ondanks ernstige beperkingen. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en de boete en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.