ECLI:NL:CRVB:2013:2959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekkingsbesluit bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en het college stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met een man, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand. Het college beëindigde de bijstand vanaf september 2010 en trok de bijstand over de periode februari tot augustus 2010 in, met terugvordering van € 8.090,89. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het besluit niet correct bekend was gemaakt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
De Raad oordeelde dat het college het besluit niet aan de gemachtigde van appellante had toegezonden, waardoor het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt en het bezwaar tijdig was ingediend. Bij inhoudelijke beoordeling stelde de Raad vast dat appellante en de man weliswaar samenwoonden, maar dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens de WWB.
De Raad concludeerde dat het intrekkingsbesluit berustte op een onhoudbare grondslag en herroept het besluit. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.