ECLI:NL:CRVB:2015:4706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand omdat zij volgens het college een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot zonder dit te melden. Het college baseerde dit op een verklaring van appellante en een huisbezoek.
De Raad oordeelt dat voor de periode van 15 april 2012 tot en met 15 oktober 2012 sprake was van gezamenlijke huishouding, maar dat voor de periode van 20 tot en met 31 januari 2014 onvoldoende bewijs bestaat dat het hoofdverblijf van de ex-echtgenoot op het uitkeringsadres was. De Raad vernietigt daarom de besluiten voor die laatste periode.
Daarnaast wordt vastgesteld dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het bezit van onroerend goed in Turkije door appellante, hetgeen relevant is voor haar vermogenspositie. De Raad beveelt een aanvullend onderzoek en nieuwe besluitvorming aan, waarbij ook de proceskosten aan appellante worden toegekend.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over januari 2014 wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en beveelt nieuw onderzoek naar het vermogen.