ECLI:NL:CRVB:2015:4747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. ter Brugge
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf oktober 2005 bijstand als alleenstaande met toeslag. Na een melding over het niet verschijnen bij afspraken bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) startte het college een onderzoek, waaruit bleek dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met P zonder dit te melden. Het college trok de bijstand per 1 augustus 2011 in en vorderde de onverschuldigd ontvangen bedragen terug.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar gaf het college de gelegenheid om het inkomensonderzoek van P te herzien. Het college matigde de terugvordering op basis van de juiste inkomensgegevens van P. In hoger beroep betwist appellant de gezamenlijke huishouding en de wijze van inkomensverrekening, maar slaagt hierin niet.
De Raad stelt dat het college voldoende feiten heeft verzameld, waaronder een ondertekende verklaring van appellant en huisbezoek met persoonlijke eigendommen van P. De inkomsten van P worden terecht in mindering gebracht ongeacht het niveau of motief van haar arbeid. Ook de door appellant aangevoerde vaste lasten en psychische omstandigheden leiden niet tot vermindering van de terugvordering.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzitter Bandringa en leden ter Brugge en van Viegen.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding bevestigd.