ECLI:NL:CRVB:2015:4749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. ter Brugge
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder vrijlating arbeidsinkomsten
Appellante voerde hoger beroep tegen de terugvordering van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, omdat zij volgens het college samen met R een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Het college had de bijstand aan R ingetrokken en de kosten mede van appellante teruggevorderd.
De Raad oordeelde dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt van het college, onder meer gebaseerd op een ondertekende verklaring van R en de aanwezigheid van persoonlijke eigendommen van appellante in de woning van R. De Raad verwierp het betoog van appellante dat de verklaring onder druk was afgelegd en dat haar arbeidsinkomsten vrijgelaten hadden moeten worden.
Verder wees de Raad het beroep af dat rekening gehouden had moeten worden met vaste maandelijkse lasten van appellante en dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële consequenties zou leiden. De vaste gedragslijn van het college om geen vrijlating toe te passen bij niet-gemelde deeltijdarbeid werd als redelijke wetsuitleg bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand van appellante wegens gezamenlijke huishouding zonder vrijlating van arbeidsinkomsten.