ECLI:NL:CRVB:2015:4884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling negatief vermogen en bijstand na beëindiging WW-uitkering
Appellant diende meerdere aanvragen in voor bijstand na het beëindigen van zijn WW-uitkering. Het college wees de eerste aanvraag af vanwege vermeende oncontroleerbare inkomsten en stelde het vermogen van appellant vast op € 1.689,14 negatief. Appellant voerde aan dat een storting van € 1.000 op zijn bankrekening een lening betrof en dat zijn negatieve vermogen hoger was vanwege leningen.
De Raad oordeelde dat de storting van € 1.000 terecht als inkomen werd aangemerkt omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het om een lening voor levensonderhoud ging. De Raad vernietigde het besluit van afwijzing en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Ten aanzien van de vermogensvaststelling bevestigde de Raad dat appellant geen procesbelang had bij de exacte omvang van het negatieve vermogen, omdat dit geen gevolgen had voor de toekenning van bijstand.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De aangevallen uitspraak waarin het beroep tegen de vermogensvaststelling niet-ontvankelijk werd verklaard, werd bevestigd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijstand wordt vernietigd, het beroep tegen de vermogensvaststelling niet-ontvankelijk verklaard, en het college wordt veroordeeld tot kostenvergoeding.