ECLI:NL:CRVB:2015:4951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke kwijtschelding eigen bijdrage AWBZ-zorg met verblijf
Appellante ontving zorg met verblijf op grond van de AWBZ van 3 mei 2010 tot en met 31 december 2012 en was daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Na een administratieve fout restitueerde CAK de eigen bijdrage over mei en juni 2010, maar stelde later vast dat appellante onverminderd zorg ontving en legde eigen bijdragen voor de jaren 2011 en 2012 vast, inclusief een naheffing over mei 2010 tot en met december 2012.
CAK heeft vervolgens een deel van deze naheffing kwijtgescholden volgens interne richtlijnen, maar appellante wilde verdere kwijtschelding. De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat appellante terecht eigen bijdrage verschuldigd is en dat de gedeeltelijke kwijtschelding een redelijke afwijking is van het invorderingsbeginsel, mede omdat appellante eerder eigen bijdrage had betaald.
De Raad verwerpt het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, mede omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij contact met CAK heeft gezocht over de restitutie. Ook slaagt het beroep op de zesmaandenjurisprudentie niet, omdat deze niet van toepassing is op invordering van eigen bijdragen maar op terugvordering van onverschuldigde uitkeringen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gedeeltelijke kwijtschelding van de eigen bijdrage bevestigd.