ECLI:NL:CRVB:2015:650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering en terugvordering ZW-uitkering wegens benadelingshandeling werknemer
Appellant was sinds april 2009 in dienst als planner en viel in mei 2011 uit wegens ziekte. Tijdens ziekte richtte appellant zonder toestemming een bedrijf op en verrichtte werkzaamheden, wat leidde tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens onherstelbare verstoring. Het UWV kende aanvankelijk een voorschot op de ZW-uitkering toe, maar legde later een maatregel op waarbij de uitkering blijvend en geheel werd geweigerd en het voorschot werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond omdat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht, maar handhaafde de maatregel na aanvullend onderzoek. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant zich zodanig heeft gedragen dat het voorzienbaar was dat dit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou leiden. De verklaringen van appellant en derden konden de feiten niet weerleggen.
Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of dringende redenen om van de maatregel af te zien. De terugvordering van het voorschot is terecht en er zijn geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende en volledige weigering van de ZW-uitkering en de terugvordering van het voorschot.