ECLI:NL:CRVB:2015:825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vertrouwensbreuk
Appellant was sinds 2000 werkzaam bij een bedrijf als atelierleider. Na een incident in december 2011 waarbij appellant zonder overleg een extra persoon aan de productieploeg toevoegde, werd hij op non-actief gesteld. Na afspraken hervatte hij zijn functie, maar in juni 2012 verzocht de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen, omdat appellant het vertrouwen ernstig had beschaamd door orders onjuist te melden.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst en oordeelde dat appellant bewust onware informatie verstrekte en medewerkers aanzette tot het invullen van onjuiste gegevens. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan en dat de gedragingen van appellant een dringende reden vormden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten over hoge werkdruk en bedrijfscultuur en stelde dat het UWV nader onderzoek had moeten doen binnen het bedrijf. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het UWV een zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen, waarbij alle omstandigheden zijn meegewogen. De Raad stelt dat verwijtbare werkloosheid hier aan de orde is en dat de uitkering terecht is geweigerd.
De Raad benadrukt dat het niet noodzakelijk was nader onderzoek te doen binnen het bedrijf en dat de kantonrechterlijke ontbindingsbeschikking bijzondere betekenis heeft, zonder afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van het UWV. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en de WW-uitkering terecht is geweigerd.