ECLI:NL:CRVB:2016:1002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke inkomenssituatie en acquisitiewerkzaamheden
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar het college wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn werkzaamheden voor de promotie van zijn ontwikkelde vechtsport. Na een eerdere toekenning en intrekking van bijstand, diende appellant opnieuw een aanvraag in met terugwerkende kracht vanaf juni 2013. Het college handhaafde de afwijzing, stellende dat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden en dat acquisitiewerkzaamheden op geld waardeerbaar zijn.
De Raad onderscheidde drie periodes: juni 2013 tot 23 januari 2014, 24 januari tot 17 februari 2014, en 18 februari tot 13 juni 2014. Voor de eerste periode was reeds rechtspraak vastgesteld; voor de tweede periode geldt het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden; voor de derde periode moest appellant aantonen dat hij aan de voorwaarden voldeed.
Uit onderzoek bleek dat appellant in de laatste periode nog steeds promotieactiviteiten verrichtte, waaronder het gebruik van websites en een YouTube-kanaal met zijn contactgegevens. De Raad oordeelde dat acquisitiewerkzaamheden normaal zijn voor zelfstandigen en op geld waardeerbaar zijn. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij geen werkzaamheden verrichtte. De afwijzing van de aanvraag werd daarom bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen en het hoger beroep wordt bevestigd.