ECLI:NL:CRVB:2016:1003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden voor sportvereniging
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar het college wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende inzicht in zijn werkzaamheden voor een vechtsportvereniging. Na een verklaring van appellant over het staken van zijn werkzaamheden, werd bijstand toegekend per 14 november 2012. Later leidde een interne melding tot een onderzoek waaruit bleek dat appellant nog steeds actief was binnen de sportvereniging, onder meer door het adviseren van instructeurs, het ontvangen van leerlingen en het afnemen van examens.
Het college trok daarop de bijstand met ingang van 14 november 2012 in en vorderde de kosten terug over de periode tot 30 juni 2013, wegens schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van op geld waardeerbare activiteiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van appellant, gelet op de aard en omvang, als op geld waardeerbare werkzaamheden moeten worden beschouwd, ook al maakte de vereniging geen winst. Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van dergelijke werkzaamheden relevant voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten. Appellant had de inlichtingenverplichting geschonden door deze activiteiten niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
Omdat appellant geen verifieerbare gegevens over de omvang van zijn werkzaamheden verstrekte, kon het college terecht de bijstand intrekken. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden.