ECLI:NL:CRVB:2016:1129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing dagloongarantie bij beëindiging dienstbetrekking binnen 36 maanden
Werkneemster was van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009 in dienst bij Stichting Y. Vervolgens werkte zij vanaf 1 november 2009 tot 31 juli 2012 bij appellante en daarnaast korte tijd bij een uitzendbureau. Na beëindiging van haar dienstbetrekking bij appellante vroeg zij een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37,99 per week, inclusief de uren bij het uitzendbureau, en paste de dagloongarantie toe zoals bedoeld in artikel 17 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde onder meer dat het GAA gesplitst had moeten worden tussen de uren bij haar en het uitzendbureau, en dat de dagloongarantie niet van toepassing was omdat de termijn van 36 maanden was verstreken. De rechtbank wees het beroep van appellante af en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat het GAA moet worden berekend over alle gewerkte uren in de 26 weken voorafgaand aan het urenverlies, ongeacht of deze bij verschillende werkgevers zijn opgebouwd. Artikel 79 van Pro de WW biedt geen grondslag voor een splitsing van het GAA. Tevens stelde de Raad vast dat de termijn van 36 maanden begon te lopen op 1 augustus 2009 om 0.00 uur en dat de beëindiging van de dienstbetrekking op 31 juli 2012 om 23.59 uur nog binnen die termijn viel, waardoor de dagloongarantie terecht werd toegepast.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de dagloongarantie is terecht toegepast door het UWV.