ECLI:NL:CRVB:2016:1212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen vermogen in Turkije en onvoldoende taxatie
Appellanten ontvingen bijstand sinds 2000, maar het college trok deze bijstand in vanaf 6 augustus 2007 tot 31 oktober 2012 vanwege verzwegen onroerend goed in Turkije en een schadevergoeding van €95.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelden appellanten dat zij niet over de onroerende zaken konden beschikken en dat de taxatie onvoldoende was voor de periode vóór 16 september 2010.
De Raad oordeelde dat appellant juridisch en feitelijk over de onroerende zaken kon beschikken, ondanks familierelaties en Turkse eigendomsstructuren. Het college mocht het vermogen daarom meetellen. De taxatie van 7 augustus 2012 was echter onvoldoende om de waarde van woning 1 en de bouwgrond in de periode van 6 augustus 2007 tot 16 september 2010 vast te stellen. Hierdoor was het niet aannemelijk dat de vermogensgrens in die periode werd overschreden.
Verder werd geoordeeld dat appellanten de inlichtingenplicht schonden door het bezit van de onroerende zaken en de schadevergoeding niet te melden. Het college kon daardoor het recht op bijstand niet correct vaststellen. De Raad vernietigde het besluit voor de periode 6 augustus 2007 tot 16 september 2010, liet de rechtsgevolgen van dat deel in stand en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd voor de periode 6 augustus 2007 tot 16 september 2010, met inachtneming van de rechtsgevolgen en veroordeling van het college in proceskosten.