ECLI:NL:CRVB:2016:1313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens oncontroleerbare kasstortingen en overschrijvingen
Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding dat appellant niet op oproepen van de Dienst Werk en Inkomen verscheen, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit onderzoek bracht kasstortingen en overschrijvingen op de privérekening en gezamenlijke rekening van appellant aan het licht. Het college trok daarop de bijstand met ingang van januari 2013 in wegens oncontroleerbare inkomsten en schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij voldoende objectieve en verifieerbare gegevens had verstrekt, onder meer dat gokwinsten de kasstortingen verklaarden. De Raad oordeelde echter dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt, omdat de verklaring over gokwinsten geen concrete bedragen of bestedingen vermeldde. Ook het argument dat het om leningen zou gaan, leidde niet tot een ander oordeel, aangezien leningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip.
De Raad bevestigde dat kasstortingen en overschrijvingen als inkomsten in de zin van de WWB moeten worden beschouwd en dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door deze niet te melden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht over kasstortingen en overschrijvingen.