ECLI:NL:CRVB:2016:1432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gehandicaptenparkeerkaart type passagier terecht geweigerd wegens ontbreken loopbeperking
Appellante, vrijwel blind door een familiaire progressieve oogaandoening en met rugklachten, vroeg een gehandicaptenparkeerkaart type passagier aan. Het college weigerde deze aanvraag na sociaal-medische adviezen van artsen, die concludeerden dat appellante geen fysieke loopbeperking heeft die haar verhindert zelfstandig meer dan 100 meter te lopen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat haar beperkingen voortkomen uit haar visuele beperking en niet uit een fysieke loopbeperking. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat eerdere positieve adviezen aan haar zussen op onjuiste interpretatie berustten.
In hoger beroep stelde appellante dat de medische onderzoeken onzorgvuldig waren en dat haar visuele beperking wel degelijk een fysieke loopbeperking veroorzaakte. De Raad oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de visusbeperking niet leidt tot een loopbeperking in de zin van de regeling.
De Raad bevestigde dat appellante vanwege haar visusproblemen afhankelijk is van begeleiding, maar dat dit niet gelijkstaat aan een fysieke loopbeperking die recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart. Ook op grond van andere criteria van de Regeling kwam appellante niet in aanmerking.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de gehandicaptenparkeerkaart type passagier wegens het ontbreken van een fysieke loopbeperking.