Uitspraak
19.1454 BABW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die door een bedrijfsongeval een amputatie van haar linker onderarm heeft, vroeg een gehandicaptenparkeerkaart aan. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op basis van medische adviezen van de GGD, die concludeerden dat zij zich zonder hulp en met gebruikelijke loophulpmiddelen over een afstand van meer dan 100 meter redelijk kan voortbewegen.
Appellante maakte bezwaar en overhandigde aanvullende medische rapportages, maar de GGD handhaafde haar eerdere adviezen. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en wees erop dat de Regeling bedoeld is voor ernstige beperkingen anders dan loopbeperkingen die het noodzakelijk maken dicht bij de bestemming te parkeren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de GGD-adviezen zorgvuldig en juist waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen zodanig ernstig zijn dat zij recht heeft op een gehandicaptenparkeerkaart, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Het college handhaafde haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar beperkingen het onmogelijk maken de afstand tussen een gewone parkeerplaats en haar bestemming te overbruggen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat zij een extra breed parkeervak nodig heeft. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart bevestigd.