ECLI:NL:CRVB:2016:1483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering maatschappelijke opvang wegens beschikbaarheid COA-opvang
Appellante, een Nigeriaanse vrouw met twee minderjarige kinderen, vroeg maatschappelijke opvang aan nadat haar WWB-uitkering was beëindigd vanwege een wijziging in haar verblijfsstatus. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees haar aanvraag af omdat zij zich tot 26 mei 2014 kon melden bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor opvang in een gezinsopvanglocatie (GOL) en vanaf die datum aanspraak kon maken op opvang bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellante gedurende de eerste periode niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat zij in die periode terecht gewezen is op de mogelijkheid tot opvang in een GOL. Vanaf haar asielaanvraag op 26 mei 2014 verbleef zij rechtmatig en kon zij gebruik maken van opvang bij het COA, welke opvang als voorliggende voorziening geldt volgens de Wet maatschappelijke opvang.
Hoewel appellante de opvang bij het COA niet passend achtte, is het aan haar om haar aanspraken bij het COA geldend te maken en eventuele noodzakelijke aanpassingen te verzoeken. De Raad achtte de weigering van maatschappelijke opvang door het college daarom terecht en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van maatschappelijke opvang omdat appellante gebruik kan maken van opvang bij het COA.