In deze zaak stond de vraag centraal of betrokkene recht had op een IVA-uitkering per 3 maart 2010. De Raad verwees naar een eerdere tussenuitspraak waarin was bepaald dat het einde van de verkorte wachttijd niet eerder kon worden vastgesteld dan die datum. Het UWV had onvoldoende rekening gehouden met medische informatie die duidde op blijvende zorgbehoefte en arbeidsongeschiktheid.
Na een nieuw rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde het UWV dat herstel van de belastbaarheid mogelijk was, maar een onafhankelijke deskundige, J.A.F. Leunisse-Walboomers, oordeelde anders. Zij stelde dat de arbeidsmogelijkheden van betrokkene gering waren en dat herstel na een grote hersenbloeding waarschijnlijk een plafond had bereikt. De deskundige benadrukte dat het UWV betrokkene niet had gesproken of onderzocht, wat de betrouwbaarheid van hun oordeel ondermijnde.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en stelde vast dat herstel van de belastbaarheid op de datum in geding was uitgesloten. Hierdoor was het besluit van het UWV om de IVA-uitkering te weigeren onterecht. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 3 maart 2010. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.