ECLI:NL:CRVB:2016:1929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag individuele woonvoorziening wegens liftuitval in seniorenflat
Appellante woonde in een seniorenwoning bereikbaar via een lift die in 2013 acht keer en in 2014 één keer uitviel. Zij vroeg een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wmo, omdat zij door de defecte lift haar woning niet normaal kon gebruiken. Het college wees de aanvraag af, omdat de lift niet structureel defect was en meestal dezelfde dag werd gerepareerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de liftuitval niet zodanig was dat appellante aantoonbare beperkingen ondervond bij normaal gebruik van de woning. Appellante stelde in hoger beroep dat zij regelmatig moest wachten op hulp, wat haar afhankelijk en hulpeloos maakte, en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.
De Raad oordeelde dat de frequentie en duur van de liftuitval onvoldoende waren om te spreken van aantoonbare beperkingen bij normaal gebruik. De stelling dat appellante gestrest en in paniek raakte, was onvoldoende onderbouwd. Ook vond de Raad geen bijzondere omstandigheden voor toepassing van de hardheidsclausule. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een individuele woonvoorziening wordt afgewezen omdat de liftuitval niet leidt tot aantoonbare beperkingen bij normaal gebruik van de woning.