ECLI:NL:CRVB:2016:1930
Centrale Raad van Beroep
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over recht op hulp bij het huishouden en terugvordering pgb wegens niet gemelde huisgenoot
Appellante ontving op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden. Het college trok dit recht per 1 januari 2013 in en vorderde het pgb over 2013 en 2014 terug, omdat appellante niet had gemeld dat een familielid bij haar was komen inwonen en dat deze familielid de huishoudelijke taken verrichtte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat het college het pgb terecht had teruggevorderd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden, mede vanwege taalproblemen en onduidelijkheid over de betekenis van onderhuur en leefeenheid.
De Raad stelt vast dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van de inwoning van het familielid. Echter, het college heeft nagelaten te onderzoeken of deze huisgenoot tot de leefeenheid behoorde, hetgeen essentieel is voor de beoordeling of het recht op hulp bij het huishouden terecht is ingetrokken.
De Raad draagt het college op dit onderzoek alsnog uit te voeren en het besluit te herzien, omdat zonder dit onderzoek het besluit niet kan standhouden. De uitspraak is een tussenuitspraak die het college zes weken geeft om het gebrek te herstellen.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het besluit te herzien door te onderzoeken of de huisgenoot tot de leefeenheid behoorde, waardoor het geschil niet definitief wordt beslecht.