ECLI:NL:CRVB:2016:4351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking persoonsgebonden budget wegens gebruikelijke zorg binnen leefeenheid
In deze zaak stond de intrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden centraal. Het college had het pgb ingetrokken op grond van het vermoeden dat sprake was van onderhuur en dat de huisgenoot niet tot de leefeenheid behoorde. De Raad stelde in een tussenuitspraak vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de vraag of de huisgenoot daadwerkelijk tot de leefeenheid behoorde.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak voerde het college nader onderzoek uit en concludeerde dat er geen sprake was van onderhuur zoals bedoeld in het beleid. Het college stelde vast dat de huisgenoot, ondanks het bestaan van een huurcontract, niet marktconforme huur betaalde en dat de kwitanties niet betrouwbaar waren. Bovendien bestond er een familiebetrekking, waardoor de huisgenoot als deel van de leefeenheid werd beschouwd. Van hem kon daarom verlangd worden dat hij de gebruikelijke zorg verleende.
De Raad oordeelde dat het college het gebrek in het eerdere besluit had hersteld en dat het intrekken van het pgb en de terugvordering van het budget over 2013 en 2014 terecht waren. Het bestreden besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het college heeft terecht het persoonsgebonden budget ingetrokken en het budget over 2013 en 2014 teruggevorderd, waarbij het onderzoek naar leefeenheid en gebruikelijke zorg correct is toegepast.