ECLI:NL:CRVB:2016:2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vorderbaarheid niet genoten vakantiedagen voor dagloon WW-uitkering
Appellant was werkzaam bij een werkgever en zijn dienstverband eindigde per 1 september 2013. In augustus 2013 ontving hij een bedrag van € 809,22 voor niet genoten vakantiedagen. Het UWV stelde het dagloon voor de WW-uitkering vast zonder deze vakantiedagen mee te rekenen, omdat appellant niet kon aantonen dat dit loon al vorderbaar was in de referteperiode van 1 augustus 2012 tot 31 juli 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het recht op uitbetaling van vakantiedagen pas ontstaat bij het einde van het dienstverband en dat de betaling in augustus 2013 buiten de referteperiode viel. Appellant voerde aan dat de vaststellingsovereenkomst van 27 juni 2013 het bedrag bepaalbaar maakte en dat betaling uiterlijk een maand na einde dienstverband kon plaatsvinden, wat anders is dan vorderbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst ook op de cao-bepaling die geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. Omdat appellant niet heeft aangetoond dat het loon in de referteperiode vorderbaar was, is het bedrag niet meegenomen in het dagloon. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat niet genoten vakantiedagen niet meetellen voor het dagloon omdat ze niet vorderbaar waren in de referteperiode.