Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als kwaliteitscoördinator en sloot met haar werkgever een vaststellingsovereenkomst waarin werd afgesproken dat de uitbetaling van 12,7 niet-genoten vakantiedagen en openstaand vakantiegeld uiterlijk 1 augustus 2014 zou plaatsvinden. Het UWV sloeg deze uitbetaling buiten beschouwing bij de berekening van het dagloon voor de WW-uitkering, omdat deze niet vorderbaar was binnen de referteperiode van 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2014.
De rechtbank stelde het beroep van appellante tegen het UWV-besluit deels gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de uitbetaling pas na de referteperiode vorderbaar was geworden. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze conclusie en bevestigt dat de uitbetaling van vakantiedagen en vakantiegeld niet als vorderbaar loon in de referteperiode kan worden aangemerkt.
Appellante vorderde daarnaast wettelijke rente, maar dit verzoek werd afgewezen. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat zonder CAO het recht op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen pas ontstaat bij het einde van de arbeidsovereenkomst, tenzij anders overeengekomen. De vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2014 bepaalde een eerdere betaalbaarstelling, maar deze vond plaats buiten de referteperiode, waardoor het loon niet meetelt voor de dagloonberekening.
De uitspraak bevestigt daarmee de rechtsgeldigheid van het UWV-besluit en wijst het hoger beroep van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de uitbetaling van vakantiedagen buiten de referteperiode valt en wijst het hoger beroep af.