ECLI:NL:CRVB:2016:218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, werkgever van een werknemer die wegens ernstige longklachten uitviel, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Deze sanctie hield in dat de werkgever het loon van de werknemer tijdens ziekte moest doorbetalen voor een verlengd tijdvak van 52 weken.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat de beschikbare medische gegevens en rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende steun boden voor het standpunt van het UWV. De werkgever had, ondanks benutbare mogelijkheden van de werknemer, onvoldoende re-integratie in het tweede spoor ondernomen. De rechtbank verwierp ook het bezwaar dat het besluitvormingsproces in strijd zou zijn met de Algemene wet bestuursrecht.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat het UWV terecht geen loonkundige schatting had laten verrichten, omdat deze niet relevant is voor de beoordeling van re-integratie-inspanningen. Ook de toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer na afloop van de wachttijd kan niet worden gezien als bewijs dat de werkgever voldoende inspanningen heeft geleverd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak en loonsanctie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever.