ECLI:NL:CRVB:2016:2348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beschikking over vermogen in eigen woning bij aanvraag bijstand WWB
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd door het college verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek op zijn woning. Hoewel appellant de economische eigendom aan zijn ouders had overgedragen, bleef hij juridisch eigenaar en stond de woning op zijn naam geregistreerd.
De Raad beoordeelde of appellant over het vermogen in de woning kon beschikken, hetgeen bepalend is voor de vraag of het vermogen als eigen vermogen wordt aangemerkt in het kader van de WWB. De Raad oordeelde dat de juridische eigendom doorslaggevend is, tenzij appellant aannemelijk maakt dat hij niet over het vermogen kan beschikken.
Appellant stelde dat hij niet over het vermogen kon beschikken omdat zijn ouders feitelijk eigenaar waren, maar de Raad vond dat hij de woning kon verkopen en over de opbrengst kon beschikken, ook al zou dat wanprestatie jegens zijn ouders zijn. De stelling dat een notaris niet zou meewerken aan een verkoop door appellant werd onvoldoende onderbouwd.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank dat appellant over het vermogen in de woning kan beschikken en dat de bijstand als geldlening moet worden verstrekt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt als geldlening toegekend omdat appellant over het vermogen in de woning kan beschikken.