Uitspraak
16.7913 PW
24 november 2016, 16/439 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Nijmegen een onderzoek waaruit bleek dat zij onroerend goed in Turkije bezaten dat niet was gemeld bij het college. De waarde van deze onroerende zaken lag ruim boven het vrij te laten vermogen.
Het college trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de onroerende zaken als vermogen waarover appellant en zijn echtgenote konden beschikken, moesten worden aangemerkt. De door hen overgelegde notariële aktes waarin het recht tot beschikking werd uitgesloten, waren volgens de rechtbank niet relevant omdat deze niet in de Turkse kadastrale registratie waren opgenomen en derhalve derden niet binden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de onroerende zaken eigendom waren van hun dochter en dat zij er niet over konden beschikken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Raad bevestigde dat appellant en zijn echtgenote redelijkerwijs over het vermogen konden beschikken, ook al zou verkoop wanprestatie jegens hun dochter opleveren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijstandintrekking en terugvordering worden bevestigd.