ECLI:NL:CRVB:2016:2434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling wegens verzwegen onroerend goed in Suriname
Appellante ontvangt sinds 2007 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Naar aanleiding van een melding dat zij langdurig in Suriname verblijft en daar onroerend goed bezit, heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) onderzoek ingesteld. Ondanks aanvankelijke ontkenning bleek appellante gerechtigd tot een nalatenschap met onroerend goed in Suriname, wat zij niet had gemeld.
De Svb heeft daarop de AIO-aanvulling per 1 mei 2013 opgeschort en later met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank heeft het beroep tegen de opschorting gegrond verklaard, maar het beroep tegen de intrekking ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek niet rechtmatig was en dat zij niet over het vermogen kon beschikken.
De Raad oordeelt dat de Svb op grond van artikel 53a WWB bevoegd was tot onderzoek, ook in Suriname. Het niet melden van het vermogen in de nalatenschap is een schending van de inlichtingenplicht en rechtvaardigt intrekking. Appellante kon redelijkerwijs over haar aandeel beschikken. Het beroep op het verdrag met Suriname faalt omdat AIO geen sociale verzekeringsuitkering is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling wegens verzwegen onroerend goed in Suriname wordt bevestigd.