ECLI:NL:CRVB:2016:2885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na beoordeling arbeidsongeschiktheid cateringmedewerkster
Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster en viel uit wegens psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsartsen werd zij per 4 februari 2013 geschikt geacht voor haar werk, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij zij medische informatie over fibromyalgie en mogelijke multiple sclerose aanvoerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsartsen volgde. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was, mede omdat haar functie zwaarder zou zijn dan beschreven. Een arbeidsdeskundige onderzocht de functie en concludeerde dat de belasting gering was.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep bracht meerdere rapporten uit waarin werd geconcludeerd dat appellante op de datum in geding medisch gezien geschikt was voor haar werk, ondanks de latere diagnose multiple sclerose. De Raad oordeelde dat de rapporten zorgvuldig en overtuigend waren en dat de extra belasting door de zorg voor haar zoon niet als ziekte of gebrek kon worden aangemerkt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld per 4 februari 2013. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd en geen motiveringsgebrek bestond.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante is per 4 februari 2013 terecht beëindigd omdat zij geschikt wordt geacht voor haar laatst verrichte werk.