ECLI:NL:CRVB:2016:2904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb wegens niet-besteding aan AWBZ-zorg
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg in 2013. Zij verantwoordde betalingen aan een bedrijf dat huishoudelijke hulp leverde, terwijl het pgb uitsluitend voor AWBZ-zorg gebruikt mag worden. Het Zorgkantoor keurde de verantwoording over de tweede helft van 2013 af en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld en teruggevorderd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij te goeder trouw was en dat de zorg overeenkwam met eerdere jaren, maar de Raad concludeerde dat de werkzaamheden huishoudelijke hulp betroffen en niet AWBZ-zorg.
De Raad overwoog dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen op grond van de Awb en de Regeling subsidies AWBZ. De belangenafweging door het Zorgkantoor was redelijk, ook rekening houdend met het lage inkomen van appellante. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het pgb omdat het niet is besteed aan AWBZ-zorg.