Uitspraak
30 juli 2015, 14/4118, 14/8890 en 14/8899 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werd bij besluit van 13 november 2012 voor 32 uur per week aangesteld in een functie. Hij verzocht het college terug te komen op dit besluit omdat hij meende dat zijn aanstellingsomvang minimaal 1,61 fte had moeten bedragen, aangezien hij het volledige takenpakket van twee voormalige functies vervulde. Het college wees dit verzoek af bij besluit van 27 mei 2014 (bestreden besluit 1).
Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, welke het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Daarnaast werden bezwaren van appellant tegen besluiten in het kader van het nieuwe HR21 functiewaarderingssysteem niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluiten 2 en 3).
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep stelde appellant zich op het standpunt dat hij recht had op schadevergoeding van € 84.154,- wegens het vervullen van een groter takenpakket binnen zijn functie. De Raad oordeelde dat appellant wel een rechtens relevant belang had bij het hoger beroep tegen bestreden besluit 1, maar dat zijn stelling de rechtmatigheid van het aanstellingsbesluit niet aantastte, zodat het college terecht weigerde terug te komen op het besluit. Het hoger beroep tegen de overige besluiten werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daarmee niet het beoogde resultaat kon bereiken.
De Raad wees een veroordeling in proceskosten af, omdat er geen sprake was van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank en sluit het hoger beroep grotendeels af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt voor het merendeel niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het aanstellingsbesluit ongegrond verklaard.