ECLI:NL:CRVB:2016:3031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Bbwo-uitkering wegens ontbreken recht op WW-uitkering bevestigd
Appellant was leraar en ontving een Bbwo-uitkering die samenhangt met het recht op een WW-uitkering. Na diverse procedures is vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering. De minister heeft daarop de Bbwo-uitkering per 1 januari 2013 beëindigd.
Appellant stelde dat de beëindiging onterecht was en dat de brief waarin de uitkering werd stopgezet geen besluit in de zin van de Awb was. De Raad oordeelde echter dat de brief wel een besluit is en dat KPMG bevoegd was namens de minister te handelen.
De Raad bevestigde dat het recht op de Bbwo-uitkering afhankelijk is van het bestaan van een recht op WW-uitkering. Omdat dit recht ontbreekt, is de beëindiging van de Bbwo-uitkering terecht. Ook werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en werd de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de Bbwo-uitkering per 1 januari 2013 is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.