Appellante was van maart 2011 tot januari 2013 werkzaam als casemanager bij een eenmanszaak die vanaf 1 januari 2013 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde. Op 5 februari 2014 diende zij een aanvraag in voor een uitkering wegens overname van betalingsverplichtingen, welke door het UWV werd afgewezen omdat de aanvraag te laat was ingediend, namelijk meer dan 26 weken na het intreden van de betalingsonmacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een afwijking van de termijn rechtvaardigde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij pas na pogingen tot executie van een vonnis duidelijkheid kreeg over de betalingsonmacht en dat het UWV haar anders zou hebben geadviseerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip bijzonder geval restrictief moet worden uitgelegd en dat appellante al op 30 juli 2013, toen duidelijk werd dat executie geen resultaat zou opleveren, had moeten weten dat de werkgever in betalingsonmacht verkeerde. Zij had binnen 26 weken na deze datum een aanvraag kunnen indienen. De omstandigheden die appellante aanvoert, waaronder haar persoonlijke situatie, rechtvaardigen geen afwijking van de wettelijke termijn.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.