ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsuitkering wegens te late aanvraag na faillissement werkgever
Appellant was werkzaam als general manager bij een onderneming die op 19 mei 2009 failliet werd verklaard. Hoewel appellant vanaf 3 maart 2009 tot en met 22 juni 2009 telefonisch contact had met het UWV over betalingsonmacht, heeft hij het aanvraagformulier voor een faillissementsuitkering pas op 20 juli 2010 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van 26 weken na het faillissement.
De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard, maar stelde dat het UWV ten onrechte niet had gemotiveerd waarom geen sprake was van een bijzonder geval. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de telefonische contacten geen aanvraag vormen en dat het indienen van het formulier op 20 juli 2010 de feitelijke aanvraag is.
De Raad benadrukt dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd en concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een afspraak was dat zijn aanvraag in behandeling zou blijven totdat hij alle stukken had. De mededeling van een medewerker van het UWV over een mogelijke beoordeling bij bewijs van langdurige inspanning is niet relevant voor de beoordeling van een bijzonder geval.
Daarom is het beroep van appellant ongegrond en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag voor een faillissementsuitkering is afgewezen omdat deze te laat is ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval.